home






Single Song #16 - 25 juni 2009: Are You Happy Now?

“I was amazed to think that you
Could take the candy with you too
So are you happy now?”

De eerste klap is een daalder waard. Zo moet je schrijven – heb ik ooit geleerd – en ik geloof nog heilig in dat adagium. En dat geldt zeker voor de eerste regel van het eerste liedje op je eerste plaat. Zoals deze:

“You took the toaster when you went”.

Een ijzersterk begin! Maar zeven woordjes en je weet al een heleboel! Ten eerste dat je te maken hebt met een break up song. Ten tweede is de toon direct gezet: een verwijt, maar met een cynische ondertoon, en je voelt: die vertrokken partner krijgt er nog van langs. Ten derde dat de auteur een scherp oog heeft voor detail: ze nam niet het geld mee, de auto of de hond, nee de broodrooster. Kan het onbenulliger? Even luisteren hoe het verder gaat:

“You never paid your half the rent
You took the spices from the rack
But you don’t have to put them back
’Cause in your haste on Halloween
You left the camera on the bed



Heerlijk! Smeuïge details. Milde ironie – geen zuur sarcasme, zoals bij Costello’s ‘I Hope You’re Happy Now’ uit 1986. Bij dit debuut in 1992 was me direct duidelijk dat Richard Shindell zou toetreden tot het selecte gezelschap van Grote Liedjesschrijvers.


Nu, 17 jaar en 7 CD’s later, blijkt die voorspelling bewaarheid. Toch trad Shindell pas onlangs voor het eerst op in ons land. Nee, dat is niet helemaal waar. Een aantal jaar geleden stond hij hier op de podia als begeleider van Joan Baez. Baez, mentor van menig beginnend liedjesschrijver, waaronder ene Bob Dylan, had hem ten tijde van haar Gone From Danger (1997) via Dar Williams ontdekt, en prompt drie van zijn liedjes opgenomen: ‘Reunion Hill’, ‘Fishing’ en ‘Money for Floods’.

Vooral ‘Reunion Hill’, de titelsong van zijn derde CD, typeert Shindell en zijn aanpak: hij laat een vrouw aan het woord die een heuvel beklimt, vanwaar zij haar geliefde ooit zag vertrekken naar een slag in de Amerikaanse Burgeroorlog. Zij heeft de hoop op zijn terugkeer nog niet helemaal opgegeven, maar je voelt dat het niet gaat gebeuren. Baez noemde dit haar op één na favoriete anti-oorlogslied.

Als Shindell in mei 2009 voor het eerst als soloartiest in ons land optreedt, tref ik hem vlak voor het laatste concert in het Haagse Transvaria. Hij ontpopt zich als een vriendelijk causeur. “Waarom bent u naar Buenos Aires verhuisd?”. “Mijn vrouw is een Argentijnse. Vandaar. Ik ben een ‘expat’, maar ik voel me daar prima thuis. En een buitenstaander was ik in zekere zin in New York ook al.”

“Ik houd niet van politieke statements, van muzikale pamfletten, liedjes met een Grote Boodschap. In ieder geval heb ik die niet. Een kleine uitzondering is ‘State of the Union’ (van zijn laatste CD Not Far Now), maar wie raakte er niet gefrustreerd door de Bush-jaren?”. “Kleine observaties liggen mij beter, zoals van de ‘Balloon Man’, die ik echt elke dag vanuit mijn balkon in Buenos Aires met zijn baal ballonnen richting park zie lopen. Of kleine fantasieën, zoals over de muilezeldrijver in ‘Get Up Clara’. Ik gebruik ook graag verhalen en beelden uit de Bijbel, zoals mijn liefdesliedje over Maria Magdalena; die herkent iedereen. Maar ik heb niet zoveel op met godsdienst; steeds minder eigenlijk”.


“‘Bye Bye’ ontstond vanuit mijn liefde voor het werk van Paul McCartney. Ik vroeg me af hoe het verder zou zijn vergaan met het meisje dat het ouderlijk huis verlaat in ‘She’s Leaving Home’. Maar ik wist het antwoord ook niet, en heb dat dus aan het eind van het lied maar open gelaten. Ik realiseer me opeens dat die dame nu zo’n 64 zal zijn. Ik had dus ook ‘When she’s sixty-four’ kunnen schrijven…”.

Nu Richard op z’n praatstoel zit, lijkt mij het moment gekomen voor de enige vraag die ik op mijn lijstje heb staan. De vraag over mijn favoriete Shindell song. “Maar hoe kom je aan ‘Are You Happy Now?’ Heeft een ex echt de kruiden meegenomen, en het snoepgoed? Of heb je dat verhaal elders opgepikt?”. Richard zucht. “Dat vraagt nou iedereen”, antwoordt hij ontwijkend. Hij denkt even na, en zegt dan: “Sorry, I just made it up”.

Het concert is pas twee liedjes onderweg, als Richard Shindell ineens aankondigt: “En dan nu een verzoeknummer. Het is een oudje, dat ik deze concertreeks nog niet eerder heb gespeeld. Het is een gemeen liedje met een vleugje vervlogen romantiek. En hij zet in: “You took the toaster when you went”. Aangekomen bij het laatste couplet speelt hij door, maar begint opeens te vertellen. “Dit is een liedje over ‘good love not yet gone bad’. Ik zat er wel mee, toen ik het geschreven had, want ik wist dat ik het aan mijn toenmalige vriendin moest laten horen. Maar als ik dat zou doen, zou het geen gunstige invloed op onze relatie hebben. Zo dreigde dit lied een ‘self fulfilling prophecy’ te worden. Om de zaak te redden probeerde ik er in het laatste couplet nog een positieve draai aan te geven, maar ook dat pakte verkeerd uit:

“You always asked why I had not
Written you a verse or two
Since that’s the one thing I regret
I dedicate this one to you
So are you happy now?”

Zo kreeg ik alsnog het antwoord op mijn enige vraag. Of zou dat ook ‘just made up’ zijn? Dat zal wel altijd de vraag blijven…

(Johan Doove)

Inspiratie:


Are You Happy Now? – Richard Shindell (Sparrow’s Point, 1992)


Are You Happy Now? – Richard Shindell (Courier, 2002)


I Hope You’re Happy Now – Elvis Costello (Blood & Chocolate, 1986)


Single Song #15 - 25 april 2009: The Beast In Me

“The beast in me
Is caged by frail and fragile bonds
Restless by day and by night
Rants and rages at the stars
God help the beast in me”.

Als ik bij de achteringang van Het Paard arriveer voor het interview is Ron Sexsmith er niet. Hij is net begonnen aan de soundcheck. Niemand let op mij, dus ik loop naar de achterkant van het podium en pak een verdwaalde stoel. Ik kijk Ron op de rug en hoor hem ‘Love And Mercy’ spelen van – even denken – natuurlijk Brian Wilson. Dan ‘Factory’ van Bruce Springsteen, een van mijn favorieten van The Boss. De drie begeleiders spelen wat ongeïnspireerd mee, maar Ron heeft er hoorbaar lol in. Hij werkt zich inmiddels door Ray Davies’ ‘Tired Of Waiting’. Ineens herinner ik me een verhaal uit Ron’s beginjaren in Canada. Hij maakt al snel naam met zijn gigantische repertoirekennis. Welk lied iemand uit de zaal ook aanvraagt, Ron speelt het direct en uit zijn hoofd. En als het al een keer gebeurt dat Ron het verzoeknummer niet kent, komt hij de volgende avond terug en speelt het alsnog…

In de zomer van 2008 veranderde mijn muzikale leven. Ik maakte mijn eerste CD. Dat was een privé zaak, waarover ik hier niet wil uitweiden, maar dat hoogtepunt leidde direct tot een dieptepunt: ik vond menig andere CD ineens een stuk minder interessant. Ik had ook ineens een nieuwe maatstaf: alles wat ik minder vond dan mijn eigen muzikale uitspatting, vond ik niks. En dat was heel wat! Eén plaat zette mij weer met beide benen op de grond: Exit Strategy Of The Soul, het elfde album van Ron Sexsmith. Wat is er zo bijzonder aan deze plaat? Sexsmith had al tien eerdere platen gemaakt, allemaal goed en vaak gelauwerd met lovende kritieken. Enkele haalden zelfs mijn jaarlijstje, te weten Other Songs (1997), Destination Unknown (2005) en Time Being (2006), zij het nooit de top. Ron geniet ook veel respect bij collega muzikanten; zo is Elvis Costello een verklaarde fan. Maar Exit Strategy Of The Soul steekt met kop en schouders boven de rest uit. Dat komt door de zeldzaam hoge kwaliteit van nagenoeg alle liedjes. ‘This Is How I Know’, het eerste liedje, is al direct raak: wat een prachtige melodie. ‘Ghost Of A Chance’ is een van de mooiste ballads die ik in jaren hoorde, al doen ‘Thoughts And Prayers’, ‘Hard Time’ en ‘The Impossible World’ er nauwelijks voor onder. ‘Poor Helpless Dreams’ is een schattig liedje, dat jarenlang ten onrechte op de plank bleef liggen. Eigenlijk klopt alles aan deze plaat. Er is nog iets bijzonders aan Exit Strategy. De Zweedse producer Martin Terefe, met wie Sexsmith eerder werkte, nam de plaat in Londen op met Engelse en Zweedse muzikanten, die Ron degelijk, maar onopvallend begeleiden. Maar daarna toog hij naar Havana om dat met Cubaanse musici over te doen of aan te vullen. Een geniale zet, die briljant uitpakt. Luister maar eens naar de soepel swingende percussie van vader en zoon Emilio Del Monte. Of naar de schitterende blazerarrangementen, bijvoorbeeld op ‘This Is How I Know’ en ‘Brighter Still’. Maar het allermooist is de trompet van Alexander Abreu op de laatste track ‘Music To My Ears’. Het lijkt alsof die trompet uit het niets komt opzetten, en een volkomen eigen pad volgt, om tenslotte op wonderlijke wijze samen te smelten met de melodie. Geniaal!

Dit alles maakt Exit Strategy Of The Soul tot een uitzonderlijk goede plaat, nummer 1 op mijn Jaarlijst 2008. Al verbaast het me wel dat ik in deze adoratie alleen schijn te staan. Nou ja, bijna alleen. Ik heb 22 jaarlijstjes van alle Heaven medewerkers, bij wie ik enige muzikale verwantschap vermoed, doorgeworsteld, maar geen enkele ervan vermeldt Exit Strategy. Ik heb de 20 beste albums van 2008 volgens muziekkrant OOR, waarin ik weinig vertrouwen heb, bestudeerd, maar daar staat ie niet bij. Ik heb tenslotte 64 Top-10-lijstjes van de “invloedrijkste Nederlandse popjournalisten” (volgens OOR) doorgeploegd, en daar ’m daar twee keer aangetroffen: op nummer 10 bij Norbert Pek, recensent bij Revu en Groene Amsterdammer, en op nummer 4 bij Tiemen Koopman, werkzaam voor Fret. Twee mij onbekende heren, die in één klap flink in mijn achting zijn gestegen, maar toch een magere oogst voor een plaat die zo duidelijk briljant is. Wat mij dwarszit: ben ik, in de euforie van mijn muzikale egotrip, het heldere zicht kwijt? Maar hoe kan het dan dat de rest van mijn Jaarlijstje aardig goed aansluit bij dat van mijn muzikale geestverwanten? Of hebben zij zitten slapen? Ik besluit het Ron zelf te vragen.

“Het was een nachtmerrie”, vertelt Ron. “Het had niet veel gescheeld of Exit Strategy was helemaal niet uitgekomen. Na opname van de basistracks in Londen en Havana kreeg ik de mix te horen, en die beviel me helemaal niet. Ik weigerde de plaat in die vorm uit te brengen. Martin kreeg de opnamen meermalen van me terug, en sleutelde verder met nieuwe opnamen in New York en Nashville. Pas na veel hangen en wurgen had ik vrede met het eindresultaat, en kon de plaat verschijnen”. Ron vertelt niet graag over zijn laatste plaat – heel anders dan de meeste muzikanten, die juist niets liever doen. Hij vertelt ook niet graag over zichzelf. Het interview dreigt als een nachtkaars uit te gaan, tot Ron begint over zijn muzikale vrienden. Zo blijkt hij goede maatjes met Nick Lowe, voor wie hij binnenkort als openingsact zal optreden. Opeens zit Ron op zijn praatstoel, en komt hij met het verhaal achter zijn favoriete Lowe liedje: ‘The Beast In Me’. “Op een nacht schreef Nick na een wild feestje in Londen in een dronken bui ‘The Beast In Me”. Hij pochte de volgende ochtend tegen zijn toenmalige vrouw Carlene Carter, dochter van Johnny Cash en June Carter, dat het ‘de beste song was die hij ooit had geschreven’. Daarop belde Carlene haar vader, die toevallig in dezelfde stad op toernee was.” “Johnny, altijd op zoek naar een goede song, had hier wel oren naar. Hij toog naar huize Lowe, in gezelschap van zijn voltallige band van twaalf begeleiders. Daar aangekomen riep Johnny: “OK Nick, laat die song maar eens horen”.” “Maar Nick had een fikse kater en kon zich zijn ‘beste song’ nog maar half herinneren. Jarenlang heeft Johnny bij iedere ontmoeting gevraagd: “He Nick, ben je al klaar met ‘The Beast In Me’?”. Uiteindelijk maakte Nick het lied af, en Johnny nam het prompt op, op zijn American Recordings, de eerste van een legendarische serie met producer Rick Rubin.” En even plotseling als hij was begonnen, is Ron Sexsmith uitgepraat.

“Sometimes it tries to kid me
That it’s just a teddy bear
Or even somehow managed
To vanish in the air
And that is when I must beware
Of the beast in me”

(Johan Doove)

Inspiratie:


The Beast In Me – Nick Lowe (The Impossible Bird, 1994)


The Beast In Me – Johnny Cash (American Recordings, 1994)


Single Song #14 - 25 maart 2009: Roses

“The old oak tree began to shudder
But he held his ground like some old soldier
His ancient pride was burnt and shaken
But something deep inside did waken
He raised his limbs just like Moses
And blossomed roses”.

De Stichting Consument en Veiligheid is een brave club, die sinds jaar en dag waarschuwt voor de gevaren van keukentrapjes, heggenscharen, vuurwerk, schaatsen, eigenlijk alles. Ik vind dat prima, maar onlangs hebben ze iets vreselijks gedaan. Hun jongste campagne wil ouders bewust maken van de “gevaren van een val van hoogte” (letterlijk van hun website). Kinderen die van een trap storten, baby’s die van de commode lazeren, dat soort dingen. Daarvoor hebben ze een illustere bondgenoot gevonden in de persoon van Eric Clapton. Het reclamefilmpje ter ondersteuning van de campagne laat een appartement in New York zien met de tekst “Hoe groot is de kans dat je zoontje tijdens het spelen van de 53e verdieping valt?”, begeleid door Eric’s megahit ‘Tears in Heaven’. Ik vind dat smakeloos. Clapton’s vierjarige zoontje Conor viel inderdaad in maart 1991 tijdens het verstoppertje spelen uit het raam van een appartement op de 53e verdieping van een New Yorkse wolkenkrabber. Dat is afschuwelijk. Eric schreef zijn verdriet van zich af met ‘Tears in Heaven’. Ik respecteer dat, en het is een prachtig lied. Maar zo’n lied uitbrengen, en dan ook nog eens als single, vind ik een minder goed idee. Het betekent dat je er een publieke speelbal van maakt. ‘Tears in Heaven’ werd dan ook, zoals te verwachten was, al snel een klassieker op begrafenissen. Te pas en vooral te onpas hoor je het lied voorbijkomen, waardoor ieder liedje – hoe goed ook – zijn kracht en betekenis verliest en afzakt tot een grijsgedraaid cliché. Dat werd dan ook het lot van ‘Tears in Heaven’. Het betekent ook dat iedere keer dat ‘Tears in Heaven’ publiekelijk ten gehore wordt gebracht, dat bij massa’s mensen pijnlijke herinneringen naar boven brengt, of zelfs oude wonden oprijt. Ik vind het daarom ongepast dat de Stichting Consument en Veiligheid dit lied misbruikt in een reclamecampagne, hoe nobel de intenties daarvan ook mogen zijn.

Twee jaar na Conor’s ongeluk overleed de vrouw van een ex-collega. Zij was pas 37 jaar, het type vrouw dat altijd gezond leefde en biodynamisch at. Maar dat weerhield de kanker er niet van meedogenloos toe te slaan. Haar begrafenis herinner ik me nog goed. Eerst kwamen twee buurmeisjes met gitaar, die samen “Tears in Heaven” vertolkten. Op dat moment was het lied nog niet overbekend, en de meisjes gaven een prachtige uitvoering. Maar de overledene had zelf ook een lied gekozen: ‘Roses’ van David Olney. Een schitterende keuze. In dit lied sluiten de wind en bliksem een duivels pact, met als doel een oude eik in tweeën te splijten. Maar de eik houdt stand, en als een merkwaardige vorm van wraak bloeien dan rozen op uit zijn gespleten bast. Een wonderlijk beeld, dat op de een of andere manier de onbreekbaarheid van de wil en de liefde plaatst tegenover de vergankelijkheid van het leven.

  “The sky is clear, the air is clean
  The earth is brown, the forest green
  The ancient oak, he still is standing
  With strength surpassing understanding
  Like dreams a noble mind composes
  He blossoms roses”.

‘Roses’ is het laatste nummer op de gelijknamige CD van Olney, en ik wist dat het aan het eind van de ceremonie gedraaid zou worden. Het was stil, en opeens klonken de volkomen misplaatste begintonen van een rocknummer. De begrafenisondernemer had het gepresteerd om ‘Rose Tattoo’ op te zetten, track 7, in plaats van ‘Roses’, track 11. Een pijnlijke misser! Een paar jaar later vertelde ik dit voorval aan David persoonlijk, tijdens de pauze van zijn concert. Hij vond het zo fascinerend, dat hij het verhaal na de pauze direct aan het publiek vertelde, en beide nummers na elkaar speelde.

Weer enkele jaren later ging ik mee naar de begrafenis van een vroegere studievriendin van mijn vrouw, die ook jong aan kanker was overleden. Ik was niet bang ‘Roses’ te horen; wel ‘Tears in Heaven’, en dat gebeurde dan ook. Verder onder andere ‘Have I Told You Lately That I Love You’, één van Van Morrison’s meest slijmerige nummers, en natuurlijk niet de prachtige versie op A Night In San Francisco. Aan het eind van de plechtigheid speelde voortdurend een mij onbekend lied van Andrea Bochelli, voor wie ik een allergie heb. Als notoire zeikerd en onuitstaanbare betweter op muzikaal gebied had ik hier dus flink de pest in moeten hebben. Of het had me gewoon niets moeten doen, want ik kende die studievriendin niet – ik heb haar zelfs nooit ontmoet – en ook van de honderden aanwezigen op die overvolle begrafenis kende ik niemand. Maar gek genoeg was dat helemaal niet zo. ‘Tears in Heaven’ ging me door merg en been; ik zag hoe Eric in de hemel zijn zoon weer bij de hand nam. De geweldige strot van Van greep me bij de keel, en liet me niet meer los; ik had nog nooit zo’n ontroerende liefdesverklaring gehoord. En bij die romantische spaghettivreter, in de lange rij rond de kist, kon ik een traan maar met moeite onderdrukken. Eerlijk gezegd zit ik een beetje met die emoties. Hoe kunnen die echt zijn geweest, als ik met de overledene geen enkele band had? Waren het de toespraken – die van haar vroegere baas, de hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad, was bijvoorbeeld verrassend goed? Was het het zichtbare leed van haar man, kinderen en familieleden? Was het het voelbare verdriet van mijn vrouw naast me? Of was het toch de muziek? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is wat er op mijn begrafenis gedraaid moet worden. Hier volgt mijn laatste playlist:

1. Carrying A Torch – Van Morrison
2. Roses – David Olney
3. $1000 Wedding – Gram Parsons
4. Time – Tom Waits
5. All In Love Is Fair – Stevie Wonder
6. A Heart Needs A Home – Loudon Wainwright III & Shawn Colvin
7. Love Is Our Cross To Bear – John Gorka
8. Time To Learn – Maura O’Connell

Ik wil geen tranen en geen rozen.

(Johan Doove)

Inspiratie:


Tears in Heaven – Eric Clapton (Unplugged, 1992)


Roses – David Olney (Women Across The River, 2002)


Single Song #13 - 29 januari 2009: Love Is Our Cross To Bear

“It’s from me, it’s to you, for your eyes
It’s a weight, a wonder that is wise
I am here, you are there
Love is our cross to bear”

Wij, echte muziekliefhebbers, geven het niet graag toe, maar met een schuin oog keken ook wij af en toe naar de Top-2000-uitzendingen in de laatste dagen van 2008. Natuurlijk gruwen wij van al die video’s met platgedraaide hits en foute discotracks, maar we moeten toch even checken of wij de vragen van de popquiz sneller en beter beantwoorden dan de BN-ers die Mathijs van Nieuwkerk heeft uitgenodigd, en of “popprofessor” Leo Blokhuis (wat krijgt die man een veren in z’n reet!) geen anekdotes vertelt die wij nog niet kenden. Dit jaar kwamen zowaar twee ministers op bezoek. Eerst die van onderwijs en cultuur, en van de PvdA, die als “lijstduwer” Joni Mitchell noemde. Geen slechte keus van Plasterk, al volgden daarop helaas de clichématige filmbeelden van ‘Big Yellow Taxi’ en ‘Woodstock’. Stel je voor dat hij ‘The Last Time I Saw Richard’ had genoemd, ‘Edith And The Kingpin’ of ‘Song For Sharon’. Maar toch, niet slecht voor deze hoeder van onze cultuur. Een dag later kwam de minister van gezinszaken en van de Gristen Unie. Nu ben ik allergisch voor bemoeienis met mijn gezinszaken, vooral van gristelijke politici, maar wie wilde Rouvoet “omhoogduwen” in de Top-2000? Van Morrison. Weliswaar had hij The Man pas ontdekt bij Hymns To The Silence, toen die het interessantste deel van zijn carrière dus al achter de rug had – ik herinnerde me plotseling van Van ook de nodige gristelijke escapades, en zelfs gedweep met Scientology! – maar toch, niet slecht voor een gristelijke gezinshoeder.

Dus stelde ik mezelf de onvermijdelijke vraag: wie zou ik noemen als “lijstduwer”? Ik zou een lange lijst kunnen opsommen, maar toch zou ik zonder nadenken direct antwoorden: John Gorka. Ik zou mezelf een nog dwazer en onmogelijker vraag kunnen stellen: welk lied? Ik zou dan a tempo antwoorden: ‘Love Is Our Cross To Bear’. Van John Gorka. Wat maakt deze man zo bijzonder? Allereerst zijn stem. Ik ken geen mooiere bariton in de popmuziek (en daarbuiten). Bovendien is hij een meester in messcherpe oneliners. “It’s America’s own strange disease, how we merchandise our tragedies” (uit ‘That’s Why’ over Elvis Presley). “He looks like Charles Bronson when he’s crying. He doesn’t have a mustache, but he’s trying” (uit ‘When He Cries’ over zijn pasgeboren zoon, die gezegend werd met de naam Bocephus Mahatma Sinatra Gorka!). “I used to think joy was the break between sorrows, like peace was the break between wars” (uit ‘All That Hammering’). “They possessed the world’s delights. Espresso mornings, lasagna nights” (uit het deels autobiografische ‘Italian Girls’). “I’m from New Jersey. I don’t expect too much. If the world ended today, I would adjust” (uit ‘I’m From New Jersey’ over de vermeende “domheid” van de mensen uit zijn geboortestaat).

Maar het wonderlijkste aan Gorka blijft de diepgang van zijn liedjes. Het zijn simpele folksongs, die misschien juist door die eenvoud weten te raken. En alle liedjes zijn in essentie mooie verhalen. Over Judy Garland (‘Heart Upon Demand’) of Elvis Presley (‘That’s Why’). Over een clown die zijn neus laat verbouwen (‘Carnival Knowledge’) of een lastpak die altijd in problemen raakt (‘Always Going Home’). Over het symbool van een bekend benzinemerk, dat zomaar wegvliegt (‘Flying Red Horse’) of het werk van een verpleegster in een militair hospitaal in de Filippijnen tijdens de Tweede Wereldoorlog (‘Let Them In’).

Hoe is het in Godsnaam mogelijk dat Gorka zo onbekend is gebleven? Soms denk ik dat het aan mij ligt. Dat ik me heb vergist. Hij is gewoon de zoveelste singer/songwriter. Maar toch is hij de enige die viermaal mijn Jaarlijstje aanvoerde (met I Know in 1987, Land Of The Bottom Line in 1990, Temporary Road in 1992 en de allermooiste Out Of The Valley in 1994). Dat lukte geen andere artiest of band.

En ik sta in deze afwijking niet helemaal alleen. Want toen ik in oktober John’s eerste concert in ons land sinds veertien jaar bezocht, in Dorpshuis De Furs in Lage Vuursche, waar tegenwoordig de In The Woods concerten plaatsvinden, was dat bomvol. Met echte muziekliefhebbers, wel te verstaan. Maar het complete journaille van NRC, Volkskrant, AD, OOR!, Revolver, en zelfs van HEAVEN, schitterde door afwezigheid. Al die kritische persmuskieten, het neusje van de zalm van de vaderlandse muziekpers, lieten verstek gaan op het mooiste concert van 2008. Nee, dat is niet helemaal waar. Er was één journalist. Hij heet Frits Abrahams en hij schrijft columns voor NRC Handelsblad. En hij is toevallig ook de vader van een collega, die me eerder haar voorliefde voor Gorka had verklapt. Waar die liefde vandaan kwam, bleef me altijd een raadsel, totdat ik een paar dagen later, op 27 oktober 2008, haar vaders column las, getiteld ‘Love Is Our Cross To Bear’.

Het is ontroerende column, die beschrijft hoe Abrahams in 1987 I Know ontdekte, en geraakt werd door juweeltjes als ‘I Saw A Stranger With Your Hair’ en ‘Love Is Our Cross To Bear’. Zijn jongste dochter (mijn collega) was toen twaalf jaar oud, maar werd kennelijk ook geraakt door ‘Cross’. Nu kan een twaalfjarige natuurlijk niet van dezelfde muziek houden als haar vader, althans niet openlijk, dus hield zij dit jarenlang voor hem verborgen, totdat zij hem een kaartje gaf voor dit concert. Mooi verhaal.

Er zijn dus meer mensen met ‘Love Is Our Cross To Bear’ als topfavoriet. Maar het is ook geen gewoon liefdeslied, en zeker geen vrolijk. Het handelt over een onmogelijke liefde, een onoverbrugbare afstand. Een verlangen naar een onbereikbare, blijvende liefde:

  “I want to be a long time friend to you
  I want to be a long time known
  Not one of your memory’s used-to-be’s
  A summer’s fading song”.


‘Love Is Our Cross To Bear’ is vooral een droevig liedje over de liefde als kruistocht. En Gorka is de meester van de weemoed, verwoord in mooie verhalen. Dat is zijn geheim, en daarom wordt hij door zijn fans heimelijk gekoesterd. Heimelijk gekoesterd? Opeens begrijp ik de afwezigheid van de complete muziekpers. Het ontbreken van de altijd schallende loftrompet over Dylan, Springsteen of Townes Van Zandt. Wij, echte muziekliefhebbers en bezoekers van Dorpshuis De Furs, willen geen Gorka in de Top-2000. Wij willen de allerbeste zanger lekker voor onszelf houden. Wij willen weer een kaartje voor het mooiste concert kunnen kopen voor maar € 15. Wij hebben groot gelijk!

(Johan Doove)

Inspiratie:


Love Is Our Cross To Bear – John Gorka (I Know, 1987)


Love Is Our Cross To Bear – John Gorka (Land Of The Bottom Line, 1990)


Single Song #12 - 29 juni 2008: Old Wild Men

“They were old wild men
Waiting for miracles”



Van het laatste Pinkpopfestival, het eerste ver na Pinksteren, heb ik een flink stuk gezien. Op tv natuurlijk, want naar massale buitenfestivals ga ik al jaren niet meer. Ik hoorde nagenoeg niets dat me aansprak, en zag de uitsloverij op de podia en de hysterie van de dronken meute ervóór met stijgende verbazing en verveling aan. Zou ik oud worden?

Van het laatste Blue Highways Festival, het eerste buiten Utrecht, heb ik ook een flink stuk gezien. Ik was erbij, want als Americana-liefhebber ga ik elk jaar. Ik hoorde veel aardige muziek, maar toch weinig dat me echt raakte. En gaandeweg bekroop me een onbehaaglijk gevoel. Want het publiek bestond nagenoeg geheel uit dikbuikige vijftigplussers, waartoe ik mezelf niet graag reken, al heb ik die leeftijdsgroep wel bereikt. Ben ik oud geworden? Waarom houden alleen oude mannen, inclusief ikzelf, van country? Waarom geef ik weinig meer om rock, die ik vroeger zo opwindend vond? Waar is de alledaagse popmuziek gebleven? Gewone liedjes, die niet voortkomen uit een roots-stroming? Die geen country zijn, geen blues, folk, soul of jazz, maar vrolijke deuntjes, die je onweerstaanbaar meefluit?

Toen ik de muziek ontdekte, in de jaren zestig, hoorde ik niets anders. Beatles, the Kinks, the Small Faces, Procol Harum, the Hollies, ze schudden de tijdloze popsongs schijnbaar moeiteloos uit hun mouw. In de jaren zeventig werd de hoge kunst van het maken en opnemen van het perfecte popliedje gecultiveerd. Door twee bands in het bijzonder: in de VS door Steely Dan, en in Engeland door 10 CC. De eerste vernoemd naar een favoriete dildo van een dame, en de tweede naar de gemiddelde inhoud van een zaadlozing – wat overigens niet schijnt te kloppen.

Mijn favoriete LP uit 1974 was Sheet Music van 10 CC . Vier ervaren studioratten, die in steeds wisselende duo’s intelligente en spitsvondige liedjes schreven. Met rake en geestige teksten, onverwachte muzikale wendingen, hemelse koortjes, knipogen naar alle stijlen, en die bij oppervlakkige beluistering op de radio toch klinken als makkelijke meezingers.

Eén van de fraaiste tracks vloeit niet uit de pen van mijn helden Graham Gouldman en Eric Stewart, maar van die twee andere geluidstovenaars: Kevin Godley en Lol Creme. Nadat de band zichzelf op de korrel heeft genomen in ‘Worst Band In The World’ volgt even later ‘Old Wild Men’, dat ironisch beschrijft hoe ook popartiesten ouder worden, en krampachtig vasthouden aan hun oude gewoonten. Alsof de auteurs preluderen op hun eigen aftakeling:

  “Old men of rock and roll
  Came baring music
  Where are they now?
  They are over the hill and far away
  But they still gonna play guitar
  On dead strings and low drums
  They’ll play and play
  To pass the time
  The old wild men
  Waiting for miracles”.


Godley en Creme Na vier elpees gingen de heren met ruzie uit elkaar, heel gewoon in die tijd. Godley en Creme wilden zich concentreren op de door hen uitgevonden gizmo(tron) – wat een flop werd – en het maken van video’s – wat een succes werd en waarin zij als pioniers optraden. Stewart en Gouldman gingen gebroederlijk door als 10 CC. Er leek niets veranderd, want hun volgende album Deceptive Bends bevatte met ‘The Things We Do For Love’ een single die wat mij betreft het perfecte popliedje akelig dicht benadert. Dreadlock Holiday Daarna volgde nog Bloody Tourists met de hit ‘Dreadlock Holiday’. Maar hoe aardig ook, je hoort al dat de band in een creatieve impasse is geraakt. In 1979 krijgt Stewart een ernstig auto-ongeluk, en wordt nooit meer de oude. De band ook niet.

Een tijdje geleden kreeg ik voor mijn verjaardag een cadeautje van mijn broer. Dat is meestal een afdankertje dat hij goedkoop ergens op de kop heeft getikt, en zo ook ditmaal. Het was de DVD 10 CC Live in Japan. Het betreft een opname van Stewart en Gouldman met begeleiders ergens in de jaren negentig, waarin ze duidelijk op een of andere comebacktournee zijn. Twee dingen vallen op. Ten eerste hoe goed de liedjes nog steeds zijn, onaangetast na al die jaren, en hoe knap ze die uitvoeren. Ten tweede hoe vermoeid de heren klinken. Zij zijn nog niet echt oud, maar ze werken net iets te professioneel en routineus door hun repertoire heen. Hun inzet is echt; hun enthousiasme niet. Je hoort vakmanschap; je mist spelvreugde. Je smacht naar meer passie, naar wat foutjes; naar minder perfectie.

Het doet me denken aan recente concerten van the Who (twee overlevenden), Genesis (nooit van gehouden), Led Zeppelin (na hun eerste elpee afgehaakt), The Police (die nooit op herhalingsoefening zou gaan), The Rolling Stones (al waren die nooit gestopt) en alle andere pophelden op leeftijd die zo nodig moeten terugkeren met de stuiptrekkingen van hun “tweede jeugd”. Ze zijn allemaal verworden tot slappe coverbands van zichzelf, precies dat slag ‘old wild men’ dat ze vroeger verachtten.

Is het de leeftijd? Nee! Johnny Cash en Neil Diamond maakten in de nadagen van hun carrière hun beste platen. Robert Plant maakte vorig jaar nog een aardige duoplaat met Allison Krauss. ‘Oud’ staat niet gelijk aan ‘afgeschreven’, zolang er nog creativiteit inzit en bezieling.

Dat is precies wat ik miste op het laatste Blue Highways. Een artiest die er uitschoot, die de gebaande paden durfde te verlaten, die je recht in je hart wist te raken. En wat ik nog meer miste op het laatste Pinkpop, de gemiddeld 20 jaar jongere leeftijd van de artiesten ten spijt. En bovenal: een lekker, ongecompliceerd popliedje, zo eentje die de volgende dag in je hoofd blijft rondspoken, en die je onbedwingbaar moet meezingen. Eentje zoals van 10 CC.

(Johan Doove)




Inspiratie:


Old Wild Men – 10 CC (‘Sheet Music’, Cherry Red, 2007 - heruitgave)


Old Wild Men – 10 CC ('Collected' 3-CD set, Universal, 2008)


Single Song #11 - 03 maart 2008: I’m No Good

“I cheated myself
Like I knew I would
I told you I was trouble
You know that I’m no good”



Een Jaarlijstje is het Moment van de Waarheid. Geen flauwekul meer, niet er omheen draaien: kiezen. Je hebt recensenten die er zich elk jaar met een smoes van afmaken. Je hebt er die niet durven kiezen en er daarom tien op nummer 1 zetten. Ik ken zelfs één slijmbal die elk jaar tien vrouwen nomineert, en zichzelf “vrouwvriendelijk” noemt. Bah! Weg met positieve en andere discriminatie, toon lef en kies als een man!

In 2007 koos ik ‘Civilians’ van Joe Henry als beste plaat van het jaar. Ik legde mijn lijstje trots aan Joe Henry voor, toen ik hem in februari in Paradiso sprak, maar hij vertrok geen spier. Wel complimenteerde hij me met mijn keus voor Richard Thompson (nr. 2) en Loudon Wainwright III (nr. 4). Ook Bettye Lavette (nr. 5) en Mavis Staples (nr. 7) vielen in goede aarde, waarop Joe vertelde dat hij geprobeerd had Mavis te strikken voor een plaat. Hij had haar zelfs zijn ‘God Only Knows’ op gitaar voorgespeeld. Mavis had dit aangehoord, even gezwegen, en toen geantwoord: “That’s nice. What else have you got?”. Daarna spraken we nog lang over onze gezamenlijke held, Loudon Wainwright, en voorspelde Joe dat de beste plaat van 2008 Loudon’s nieuwe zal zijn, die pas in het najaar zal verschijnen, wederom onder zijn productionele leiding. Toen viel Joe’s oog op nummer 6 van mijn lijstje, Linda Thompson, en spraken we over de muzikale opkomst van de tweede generatie met Rufus en Martha. “En Richard en Linda’s zoon Teddy”, zei ik. “Ook een groot talent. Ken je die?”. “Jazeker”, antwoordde Joe, “Ik produceerde zijn eerste plaat”!

Zo’n lijst heeft ook een nadeel. Elk jaar weer ben ik bang een Grote Plaat gemist te hebben, en ook dit jaar bleek dat het geval. Twee zelfs. De eerste is de ‘Blue Sky Blue’ van Wilco. Dom, want mijn muzikale vrienden van Lucky Dice hadden me die zelfs getipt. Maar de band had wat foute uitstapjes gemaakt in de richting van experimentele elektronica, en daar heb ik een bloedhekel aan. Maar ‘Blue Sky Blue’ is een ouderwets lekkere plaat met ‘lome’ songs en spetterende gitaarduels. Daarop schreef ik direct een lovende recensie, die de krant [FD, red.] plaatste, hoewel de schijf al meer dan een halfjaar oud is (weten zij veel!).

Mijn tweede misser betreft Amy Winehouse. Eigenlijk had ik Amy niet gemist. Ik had indertijd haar debuut ‘Frank’ gekocht, die ik wel aardig vond, maar niet bijzonder. De eerste van Joss Stone was me ook niet ontgaan, en ik vond haar een interessantere zangeres. Maar de tweede en derde van Stone bevatten geen soulcovers, maar eigen liedjes met puberale teksten en matige composities. Ik had beide dames al afgeschreven.

Toen vorig jaar alle commotie losbrak rond ‘Back To Black’, de tweede van Amy, wantrouwde ik dat. Die rumoer ging namelijk niet over Amy’s muzikale verrichtingen, maar over haar verslavingen, haar wangedrag, haar afzeggingen van concerten, haar in de pers te breed uitgemeten privé-sores, haar bezoekjes aan afkickcentra, haar nieuwste tatoeages en soortgelijke zaken die mij geen fluit interesseren.

Wat schrijft bijvoorbeeld het roddelblad OOR!? Opperpaparazzi Tom Engelshoven wijdt een vier pagina’s tellend artikel aan “Mijn leven met Amy Winehouse”. Nu moet u weten dat Engelshoven een oudere man is, die apetrots is op het feit dat hij een jaar geleden op kosten van de platenmaatschappij met Gijsbert Kamer van de Volkskrant naar Londen is gevlogen om Amy nog geen tien vraagjes te stellen. Geen van die tien ging over muziek. Het waren vragen als “Je viel in een leegte” (geen vraag, maar een in de mond gelegd antwoord!), “Geeft alcohol je troost?” en “Leef je roekeloos?”. De rest van het artikel wordt grotendeels gevuld met verhalen over Amy’s drinkgewoonten, de ruzies met haar ex, en de opkruipende string waar zij tijdens een optreden aan friemelt (ik weet niet of dit echt gebeurd is, maar het is duidelijk wel het onderwerp dat Engelshoven het meest bezighoudt).

Kortom, mijn desinteresse in Amy had alles te maken met foute randzaken. Ik verwijt dat niet alleen de pers. Sommige artiesten koesteren hun imago op een ongezonde manier. En niet alleen het zangertje van The Libertines en Amy Winehouse. Jim Morrison en Janis Joplin deden dit 35 jaar geleden naar mijn smaak ook al te opzichtig. Tom Waits had en heeft er ook een handje van.

In eigen land kennen we Herman Brood als kampioen aanstellerij. Herman heeft met ‘Street’ (1977) en ‘Shpritsz’ (1978) twee rock & roll klassiekers afgeleverd, die tot de beste van eigen bodem behoren. Had ie het daar maar bij gelaten! Al dat publieke gekoketteer met je eigen drugsgebruik, dat mediageile geflirt met majoor Bosschard, dat openbaar uitventen van je lichamelijke aftakeling, die genante sprong vanaf het Hilton Hotel – zelfs dat meest intieme moment van zijn eigen dood offerde Herman aan zijn aandacht addictie. Engelshoven en consorten zijn er blij mee, maar ik stoor me hieraan en keer me van zulke artiesten af.

Vandaar geen Amy Winehouse. Als Geert Henderickx ’m niet genoemd had in zijn lijstje, had ik ‘Back To Black’ helemaal over het hoofd gezien. En ten onrechte, want het is een goede plaat. Vooral dankzij dat echte soulgevoel, de strakke begeleiding van The Dap-Kings, Sharon Jones’ geweldige begeleidingsband, en Amy’s doorleefde zang. Ook haar eigen composities zijn verrassend goed, al kunnen haar teksten me minder bekoren.

“Upstairs in bed with my ex boy
He’s in the place, but I can’t get joy
Thinking on you in the final throes
This is when my buzzer goes”

Wat moet ik met deze bijna pornografische onthulling? “I told you I was trouble. You know that I’m no good.” Hier klopt iets niet! Relatieproblemen, pijn, woede, ik kan het me allemaal voorstellen, en het zijn prima inspiratiebronnen voor een sterke tekst. ‘You’re No Good’ – daar kan ik me ook iets bij voorstellen. De boosheid van een bedrogen vrouw bleek al in 1964 goed voor een ijzersterk liedje (geschreven door Clint Ballard Jr. en verschenen als B-kantje van ‘Chained To Your Love’ van Betty Everett – alleen daarom al hadden ze de single nooit mogen afschaffen!).

Maar ‘I’m No Good’? Dit past niet bij een normaal zelfbeeld. Tenzij Amy psychotisch is – wat ook zou kunnen – geloof ik niet dat een gezond mens zichzelf ziet als door-en-door slecht, een onverbeterlijke leugenaar en bedrieger. Volgens mij lijdt Amy aan de ziekte van Herman: zij is een pathologische aanstelster en aandacht zoekster.

Maar wat doet het ertoe? Het gaat om de muziek, en die is goed en toch nog gevonden. Desondanks ben ik blij dat ‘Back To Black’ achteraf mijn Jaarlijstje niet gehaald zou hebben. ‘100 Days, 100 Nights’ van Sharon Jones & The Dap-Kings blijkt nog beter. Gelukkig maar!

(Johan Doove)




Inspiratie:


You Know I’m No Good – Amy Winehouse (‘Back To Black’, Universal, 2007)


You’re No Good – Betty Everett (single, 1964)


Single Song #10 - 21 januari 2008: I Miss You

“I miss you, I’m sorry, but I do
I miss you, I’m sorry, but it’s true”



Wie schrijft, blijft. Stom gezegde, maar daarom niet minder waar: ik heb altijd al een scherpe tekst willen schrijven. Nog liever wilde ik een briljant componist worden. ’t Allerliefst beide, gecombineerd in één onvergetelijke hit. Maar dat is me niet gelukt. Er zit ook iets onlogisch in de combinatie. Wie kan schrijven, wordt dichter, journalist, romancier of thrillerauteur. Iedere schrijver wil dat zijn teksten gelezen worden. Waarom zou je ze dan op muziek zetten en boven die herrie uitschreeuwen? De meeste muziekliefhebbers luisteren niet eens naar songteksten.

En stel dat je een begenadigd schrijver bent. Hoe groot is dan de kans dat je ook nog muzikaal begiftigd bent? Of omgekeerd: er zijn heel wat leuke jongens en meisjes die aardig een instrument kunnen bespelen. Hoeveel van hen kunnen ook een geslaagde melodie uit hun mouw schudden? Stel nu dat iemand met die twee talenten gezegend is: hoe groot is dan de kans dat zo’n geluksvogel de mensheid ook nog iets zinnigs te zeggen heeft? Die kans is heel klein, en daarom kent de popmuziek maar bar weinig goede tekstschrijvers. Een kwestie van logica en kansberekening! Dit verklaart waarom het overgrote merendeel van de teksten in de popmuziek – ik schat zeker 90%, maar misschien wel meer – volstrekt oninteressant is. Geneuzel over nieuwe liefdes en verloren liefdes. Van “Ik hou van jou, en blijf je trouw” tot “Wat flik je me nou?”. Het is allemaal even openhartig en oprecht als overbodig en afgezaagd. De nuchtere waarheid luidt: na een paar keer heb je het allemaal eerder gehoord, en beter. Al dat hartezeer boeit niet meer; het zijn de voorspelbare misstappen van onervaren stumpers.

Dan heb je nog de betweters en wereldverbeteraars. Ze zijn allemaal even gemotiveerd en geëngageerd als naïef en aandoenlijk. Ze hebben zich niet grondig in de grote problemen van hun tijd verdiept, maar ze hebben er wel een mening over, die ze ongezouten in hun songs verwoorden en verontwaardigd van zich afschreeuwen. In het ergste geval geloven ze echt dat hun protestliedjes anderen overtuigen of iets bijdragen aan een oplossing. Een groot deel van de eerste generatie popartiesten trapte in deze valkuil, en knapte erop af.

Zo ongeveer op dat moment, in 1968, verscheen een merkwaardige LP. Een foeilelijke hoes, met een nieuwe artiest die er totaal niet uitzag als popheld. Eerder een antiheld, tegen wil en dank, met een zelfs voor die tijd totaal foute bril. Het was een man die heel duidelijk niet kon zingen, en zijn pianoliedjes liet begeleiden door een groot, klassiek geschoold orkest, hoogst ongebruikelijk in die tijd. Het was ‘Randy Newman Creates Something New Under The Sun’, een titel die de man verfoeide, omdat de platenmaatschappij ’m had verzonnen. Het was het debuut van de grootste tekstschrijver die de popmuziek ooit heeft gekend. Het eerste liedje heet ‘Love Story’. Dat is geen liefdesliedje zoals alle andere. Het bezingt de leegheid en voorspelbaarheid van het leven. In drie coupletten komen alle clichés van vrouw, huis, werk en kinderen in sneltreinvaart voorbij. Zonder een vleugje ironie. Het orkest klinkt vrolijk, zelfs in het treurige slot: “Als de kinderen de deur uit zijn, stoppen ze ons in een huisje in Florida; daar spelen we elke dag een spelletje, tot we doodgaan”. Einde.

Even onthutsend is ‘I Think It’s Going To Rain Today’, een desolate omschrijving van eenzaamheid. Toch klaagt de ik-figuur in dit lied niet dat hij alleen is. Hij schopt alleen tegen een leeg blikje, en spreekt de verwachting uit dat het vandaag wel zal gaan regenen. Hij prijst het goede in de mens en pleit voor meer hulpvaardigheid. Newman kaart op volstrekt onorthodoxe wijze misstanden aan. Niet door ze aan te vallen, of iemand te beschuldigen, maar door de daders aan het woord te laten, waardoor je bijna begrip voor ze krijgt. Zoals de exploitant van Dikke Davy, die als kermisattractie wordt misbruikt, en Simon Smith met zijn Dansende Beer. In ‘Sail Away’ laat hij een slavendrijver aan het woord, die onwetende Afrikanen wijsmaakt dat hen overzee het beloofde land wacht.

Als geen ander kruipt Newman in de huid van zijn personages. Dat zijn bij voorkeur een beetje dommige, rechtlijnige, blanke Amerikanen. Zoals de familie in ‘Old Kentucky Home’, waarvan zusje Sue ’s nachts voor duistere zaken wordt uitgelaten, en broertje Gene zijn moeder van de trap afduwt. Het politieke gedachtegoed van deze, zonder twijfel Republikeinse “rednecks” wordt vertolkt in ‘Political Science’, waarin het wereldwijde onbegrip voor al dat goedbedoelde Amerikaanse optreden de gewone man teveel wordt, en hem naar een eenvoudige oplossing doet grijpen: gooi dan die Grote Bom maar. Dezelfde man praat trots over zijn geboortestad Birmingham in Alabama, waar iedere criticaster direct de valse hond Dan op zich afgestuurd krijgt. Maar het allermooist is de vrouwonvriendelijke manier waarop diezelfde redneck zijn liefde voor zijn echtgenote Marie beschrijft, wat hem alleen lukt in een dronken bui.

Die mooiste liedjes komen van Good Old Boys (1974), samen Sail Away (1972) en Randy Newman (1968) zijn beste werkstuk. Newman, lui van aard, maakte daarna nog een paar mindere platen, verzorgde de soundtrack voor diverse films, en raakte een beetje in de vergetelheid. Tot hij in 1999 volkomen onverwacht terugkwam met Bad Love. Dat bevat de bekende mengeling van zelfspot (‘I’m Dead But I Don’t Know It’), politieke ironie (‘The Great Nations Of Europe’) en messcherpe analyses (‘The World Isn’t Fair’), maar ook een verrassend persoonlijke song. ‘I Miss You’ is een lied van bedrieglijke eenvoud. Want hier klinkt niet zomaar een ik-mis-je-zo-liedje, maar een spijtbetuiging aan zijn ex, twintig jaar na dato. “Ik was een lul, die zo nodig achter z’n pik moest aanlopen, en jou en de kinderen in de steek liet. Maar ik heb er spijt van, en – hoewel te laat – wil ik je dat toch even laten weten”, zegt Newman in dit lied. Of eigenlijk zegt hij dat niet, maar je hoort het ’m zeggen.

Sinds 1999 heeft Newman alleen nog wat oud werk heruitgebracht. Op zijn website is ‘A Few Words In Defence Of Our Country’ te beluisteren, een nieuw hoofdstuk in ‘Political Science’. Hij is dus nog steeds lui, maar waarom zou hij een nieuw meesterwerk afleveren? Hij heeft zijn onsterfelijke songs, inclusief ‘God’s Song’, al geschreven, zodat zijn naam en faam als componist en tekstschrijver voorgoed zijn gevestigd. Randy heeft dus alle talenten, maar mist de prikkel. Terwijl ik al mijn hele leven één songtekst heb willen schrijven zo scherp als Newman, maar dat is me niet gelukt. Nog niet. (Johan Doove)


Inspiratie:

I Miss You – Randy Newman (“Bad Love”, Dreamworks, 1999)
Guilty: 30 years – Randy Newman (4 CD-box, Rhino, 1998)


Single Song #9 - 10 oktober 2007: Two Sevens Clash

“What a liv and bomba yea
When the two sevens clash”



“Zo vader, zo zoon”, zegt een belegen tegelwijsheid. Ik heb er nooit in geloofd. Mijn vader hield niet van muziek. Hij had er geen hekel aan, maar wist er niets van en gaf er nog minder om. Literatuur, dat was zijn leven. Hij begreep het daarom ook niet, toen in de jaren zestig bij zijn oudste zoon, schijnbaar uit het niets, die passie voor muziek opdook. Mijn muzikale vorming vond plaats vanaf pakweg 1965. Ik was toen twaalf jaar oud en net verkast naar de eerste klas van het Apeldoorns Veluws College. Apeldoorn was toen – en is nog steeds – een dodelijk saai dorp, en dus stortte deze jonge puber zich op de muziek. Het was een voor de popmuziek unieke periode, met de opkomst van Beatles, Stones, Kinks en talloze andere, vooral Engelse bands, die je op de “piratenradio” dagelijks kon beluisteren. Radio was in die tijd nog een spannend en invloedrijk medium.

Mijn vader zag dit alles met lede ogen aan. Hij dacht eerst dat zijn zoon leed onder een bevlieging van voorbijgaande aard, maar dat bleek al snel een vergissing. Toch kocht hij in 1967 een platenspeler voor zijn twee zonen. De oudste kocht onmiddellijk zijn eerste single, “King Midas in Reverse” van The Hollies. Bijna wekelijks dienden zich fantastische nieuwe singles aan. Ik herinner me nog de verpletterende indruk die Stg. Pepper maakte na zijn eerste draaibeurt op onze Philips platenspeler. De verbijstering toen ‘Sympathy For The Devil’ voor ’t eerst klonk. ‘Autumn Almanac’ is nog steeds mijn favoriete single.

In die dagen was de relatie tussen mij en mijn vader gespannen. Wij hadden een, toen heel gebruikelijk “generatieconflict”, als gevolg van het feit dat mijn haren te lang waren – in mijn vaders ogen – en dat ik niet meer naar de Kerk wilde. Dat alles doet hier weinig ter zake, maar leidde er wel toe dat mijn vader zich altijd laatdunkend, afkeurend of anderszins onaardig uitliet over mijn muzikale voorkeuren (en mijn gitaarspel). Daarom heb ik mij, toen ik zelf vader werd, voorgenomen nooit iets negatief te zeggen over de muzikale voorkeuren van mijn zoon, ook al zou ik die verafschuwen. Ruben bleek muzikaler dan ik – hij is eerste klarinettist in het Utrechts Jeugd Domstad Orkest – en toen ik hem naar zijn favorieten vroeg, noemde hij Kanye West en Opgezwolle.

Ik geef niets om hiphop, en weet er nog minder van, maar omdat de laatste plaat van deze Zwollenaren als een van de beste in het genre was bestempeld, heb ik ’m van mijn zoon geleend en beluisterd. Ik vond het niks. Ik heb ‘Mystery Repeats’ van Pete Philly & Perquisite – volgens OOR! de top van de Nederlandse hiphop – aangeschaft en beluisterd, maar ook die verveelt me. Ik ga ’m aan Ruben geven. Vorig jaar vroeg Ruben opeens of ik iets van Bob Marley had. Zeker, een prachtige 4-CD box zelfs. Die belandde al snel op zijn MP-3-speler. Daarna informeerde ik voorzichtig of hij wel eens van Peter Tosh had gehoord, of Bunny Wailer. Van Burning Spear, Congo’s, Gladiators, Heptones, Gregory Isaacs, Mighty Diamonds, Wailing Souls. Allemaal belandden ze op zijn MP-3-speler.

Ik vertelde over Lee Perry. Hoe die apestoned in het schuurtje in zijn achtertuin – de legendarische “Black Ark Studio” – aan de knoppen zat te schuiven, en zo de “dub” uitvond. Over het ontstaan van de reggae in de sloppenwijken van Kingston, Jamaica uit ska en rock steady. Over haar grote invloed op de popmuziek, van Specials en Madness tot Joe Jackson, The Police en Doe Maar. Maar de mooiste verhalen levert de religie van de dreadlocks, de “rastafari”. OK, alle godsdiensten zijn ongeloofwaardig en – Marx had gelijk – opium voor het volk; bestemd voor sukkels, en bedoeld om de massa’s dom te houden. Tegenwoordig fulmineren politici te pas en vooral te onpas tegen de islam. En jezelf opblazen in de hoop in het hiernamaals met 77 maagden beloond te worden, is inderdaad belachelijk. Maar ook het christelijke geloof is achterlijk. Zo geloven de katholieken dat Maria, de moeder van Jezus, onbevlekt is ontvangen, en dat haar zoon uit de dood is opgestaan, waarna overigens niemand meer iets van hem heeft gehoord of gezien. Zij geloven in wonderen en in het bestaan van een Heilige Geest. Mijn joodse collega eet nog steeds geen hap varkensvlees, terwijl rundvlees veel gevaarlijker is.

Toch is het alleridiootste geloof dat van de Rastafari, Haile Selassie de religie van bijna alle reggae-artiesten. Zij geloven dat Haile Selassie, de toenmalige keizer van Ethiopië, God is. Dat ging zelfs Selassie wat te ver. Hij nodigde Bob Marley uit om naar Ethiopië te komen, en gaf hem vriendelijk, maar beslist te kennen dat hij Groot was en Keizer, maar geen God. Maar, zoals dat gaat met gelovigen, het hielp niet. Ze bleven hem tot zijn dood als God aanbidden. In het jaar 1977 werd van Selassie een waar wonder verwacht. Dat kwam niet. Rastafari geloven dat een boot, de “Black Starliner”, zou komen om hen te verlossen, en in te schepen terug naar het beloofde land Ethiopië. Dat had hun profeet, de Jamaïcaanse nationale held Marcus Garvey, immers voorspeld. Daarom verwachtten zijn volgelingen in juli 1977 een verlossende boot te zien arriveren in de haven van Kingston. Die kwam niet.

Rastafari geloven dat het gezond is marihuana te roken; dat doen ze dan ook in stevige porties, zodat de meeste reggaeplaten onder invloed zijn opgenomen – wat hun kwaliteit zeker ten goede is gekomen. Al die ophef over softdrugs is zwaar overdreven, maar roken, ook van marihuana, is niet gezond. Bob Marley overleed aan kanker.

Van al die verhalen smulde mijn zoon. Hij is inmiddels de grootste reggaekenner van zijn school, het Utrechts Stedelijk Gymnasium, en bezocht onlangs zijn eerste reggaeconcert (“allemaal dreadlocks, die stoned waren en met hun armen zwaaiden, dus deed ik maar mee”).

Onlangs vierden wij samen de heruitgave van de eerste van onze favoriete reggaeband: Culture. Die eerste elpee verscheen op 7 juli 1977 (7.7.’77) en heet dan ook Two Sevens Clash. Een Rasta-profetie luidde namelijk dat er iets opmerkelijks zou gebeuren op die 7e juli, maar dat gebeurde niet (behalve het verschijnen van deze plaat).

Voor mijn verjaardag heb ik de “30th Anniversary Edition” van Two Sevens Clash gevraagd en gekregen, en hij klinkt nog even fantastisch als 30 jaar geleden. En het stoort mij en mijn zoon helemaal niet dat al die rasta-teksten belachelijk zijn. Sterker nog: volgens ons geloven die rastafari ze zelf ook niet. Zo vader, zo zoon. (Johan Doove)


Inspiratie:

Two Sevens Clash – Culture (1977)
Two Sevens Clash / the 30th Anniversary Edition – Culture (Shanachie, 2007)


Single Song #8 - 13 juli 2007: A Case Of You

“Just before our love got lost you said
‘I am as constant as a northern star’
And I said ‘Constantly in the darkness,
Where’s that at? If you want me I’ll be in the bar!’”



Dit voorjaar was ik beroepshalve in Sydney, en natuurlijk ging ik snel op zoek naar de beste locale muziektent. Die blijkt daar ‘The Basement’ te heten, en hij lag op maar twee straten van mijn hotel in George Street. Bij binnenkomst word je direct verrast door de prachtige zwart/witfoto’s aan de muur van fameuze artiesten die er hebben gespeeld. Helaas viel het aanbod die week tegen; alleen op de laatste avond van mijn verblijf een optreden van Larry Carlton en Robben Ford, een avond- en een nachtconcert zelfs.

Carlton en Ford zijn twee topgitaristen, maar hun show werd aangekondigd als jazz. Ik houd niet van jazz. Of ik begrijp het niet – dat kan ook. Ik mis erin de songs. In mijn perceptie zijn jazzmusici op hun instrument vaak virtuozen, maar ook egotrippers, die op het podium in ellenlange solo’s eindeloos hun technische kunsten etaleren. Dat lijkt me vooral leuk voor hen zelf, maar als luisteraar haak ik al snel af. De paar jazzplaten in mijn collectie draai ik zelden. Volgens mij moet je jazzmusici alleen inhuren voor korte solo’s in popsongs.

Carlton en Ford Daar ken ik beide heren dan ook van. Van talloze studioplaten uit de jaren zeventig, van Steely Dan en the Crusaders (Carlton) tot George Harrison en Little Feat (Ford). Maar vooral van hun werk met Joni Mitchell. Carlton verzorgde het gitaargeluid op Joni’s topplaten uit die jaren, en Ford begeleidde haar in die tijd op de bühne als gitarist van de LA Express.

In jazz mis ik ook het persoonlijke, de emotie. En dat is nou precies wat Joni Mitchell wel biedt, misschien zelfs wel wat teveel. Haar muziek kenmerkt zich door een schaamteloze openhartigheid, vooral over haar liefdesleven. Daarover zijn de meningen sterk verdeeld.

Aan de ene kant vormt Mitchell de verpersoonlijking van het ik-tijdperk, het stempel dat op de jaren zeventig drukte na het echec van het maatschappelijke engagement uit de jaren zestig. Haar uitzonderlijk persoonlijke teksten getuigen van een moed en eerlijkheid, die maar weinig eerder was gehoord.

Maar aan de andere kant klinkt het verwijt dat zij haar privé-leven misbruikte als bron van inspiratie voor haar liedjes. Eén van haar tijdgenoten zegt in ‘Hotel California’, Barney Hoskyns’ genadeloze analyse van de ‘cocaïne cowboys’ uit de vroege jaren zeventig: “Joni knoopte met alle interessante mannen relaties aan. Ze gebruikte ze, en liet ze daarna keihard vallen, alleen om in haar songs ‘Fuck you’ te kunnen zeggen”.

Inderdaad verslond Mitchell in die dagen partners. Volgens Hoskyns’ boek onderhield zij relaties met onder andere Jackson Browne, David Crosby, Graham Nash, John David Souther, Steve Stills en James Taylor. Zeg maar de hele CS&N (minus landgenoot Young), plus de nodige randfiguren uit de trendy LA-muziekkliek.

Maar het waren de nadagen van de ‘vrije liefde’, en Joni was nog jong en onzeker over de rol van de liefde in haar leven:
“I’ve looked at love from both sides now
From give and take, and still somehow
It’s love’s illusions I recall
I really don’t know love at all.”

En het leverde prachtige liedjes op. Zoals ‘Both Sides Now’ en ‘Willy’, troetelnaam voor Graham Nash – waarschijnlijk haar grootste liefde uit die tijd. Nash zelf bezingt zijn prille geluk met Joni op Lookout Mountain Avenue in LA in de bekende CS&N-hit ‘Our House’. Neil Young’s ‘Only Love Can Break Your Heart’ verhaalt van het ongelukkige einde van hun verhouding.

Na de breuk met Nash was Joni zo onverstandig een korte vrijage met Stephen Stills aan te gaan, wat de relatie tussen beide heren voorgoed bekoelde. Daarop volgde een nog kortere affaire met J. D. Souther – de grootste versierder van de LA-muzikantenmaffia. Het verhaal gaat dat Joni net bij zijn huis arriveerde toen Linda Ronstadt de deur werd uitgezet. Daarna, ten tijde van ‘Blue’ en ‘For The Roses’, startte zij een moeizame relatie met James Taylor, die niet te genieten was door zijn heroïneverslaving.

Boeiende roddel allemaal, maar doet het ter zake? Ik denk ’t niet. Mitchell maakte in die jaren haar beste werk, en die platen, die songs staan nog steeds als huis. Haar teksten zijn weliswaar persoonlijk, maar ook vlijmscherp, en zoals iedere goede tekst een duister mengsel van autobiografische ervaringen, heldere analyses, afstandelijke observaties en dichterlijke verzinsels. Hoe de verhouding tussen die ingrediënten precies ligt, verschilt per liedje, en mag de luisteraar zelf bepalen. Als het maar een tijdloze tekst oplevert, waarin een ieder het zijne of hare kan herkennen. Zoals in deze:
“I remember that time you told me
You said ‘Love is touching souls’
Surely you touched mine
‘Cause part of you pours out of me
In these lines from time to time.
Oh, you’re in my blood like holy wine
You taste so bitter and so sweet
Oh, I could drink a case of you, darling
And I would still be on my feet.”

Meer dan vijfendertig jaar later raakt deze tekst me nog steeds. En niet alleen mij, want een grote schare hedendaagse artiesten rekent zich nog altijd tot haar fanclub. Dat blijkt opnieuw uit een pas verschenen tribute-album, met medewerking van vele coryfeeën. Het valt op dat zij allemaal een liedje kiezen van vijf-sterren-platen als ‘Blue’, ‘For The Roses’, ‘Court And Spark’, ‘The Hissing Of Summer Lawns’ en ‘Hejira’. Niets van haar jazzescapades daarna, en ook bijna niets van haar mindere rockplaten uit de jaren tachtig.

Toch falen al die grote namen. Zo zijn de covers van ‘The Magdalene Laundries’ door Emmylou Harris en ‘Help Me’ door K.D. Lang wel aardig, maar ze voegen niets toe aan het origineel. ‘Blue’ door Sarah McLachlan en ‘Ladies Of The Canyon’ door Annie Lennox zijn ronduit overbodig, en ‘The Boho Dance’ is in de versie van Björk zelfs niet om aan te horen.

Sufjan Stevens steekt ‘Free Man In Paris’ in een boeiend nieuw jasje, maar hij maakt er een geluidsminiatuurtje van, in plaats van een lied met kop en staart. Elvis Costello vertolkt ‘Edith And The Kingpin’ met veel respect, maar het resultaat klinkt toch steriel. Alleen James Taylor weet ‘River’ helemaal naar zijn hand te zetten, wat pikant is, als je bedenkt dat Joni dit schreef terwijl ze het met hem hield.

Maar de hoofdconclusie blijft: Joni is onnavolgbaar. Met één uitzondering. Want de meest opmerkelijke fan maakt de allermooiste bewerking, de enige die het origineel overtreft en daar echt iets aan toevoegt – het enige bestaansrecht van een cover. Het is Prince, die zich met ‘Sometimes It Snows In April’ in 1986 al schatplichtig aan Mitchell toonde, en die nu een bloedstollend mooie versie van ‘A Case Of You’ neerzet, al gebruikt hij maar een fractie van de oorspronkelijke tekst.

Mooie muziek is tijdloos, en Prince – zelf al zo’n 20 jaar ‘over the hill’ – bezorgde me een onverwachte Mitchell-revival. Eigenlijk begon die al in Sydney, toen mijn Oostenrijkse collega Gerhard Früholz me overhaalde naar dat nachtconcert van Larry Carlton en Robben Ford te gaan. Daar bleken al mijn vooroordelen over jazz onterecht, want het was een prima optreden van twee wereldgitaristen, een fantastische, onbekende drummer en Larry’s zoon op bas (binnenkort ook te zien op North Sea Jazz!). Maar mijn stille hoop werd niet bewaarheid: ze speelden geen enkel liedje van Joni Mitchell…





(Johan Doove)


Inspiratie:

A Case Of You – Joni Mitchell (‘Blue’, 1971)
A Case Of You – Prince (‘A Tribute To Joni Mitchell’, 2007)


Single Song #7 - 08 april 2007: No Sure Way

“Heaven is high above us
Hell is not so far below”



Meestal is zo’n film op tv niks. Een derderangse avondvuller of de zoveelste vertoning van een grijsgedraaide klassieker. Maar onlangs verraste “Big Fish” van cineast Tim Burton me. Een prachtige film, deels bizarre realiteit, deels sprookje, over een vader die op sterven ligt. Zijn zoon probeert nog eenmaal met hem in contact te komen, want dat is nooit goed gelukt. Vader blijkt een onverbeterlijke fantast, die graag wonderbaarlijke levensverhalen vertelt, waarvan steeds onduidelijk blijft welke deel een stukje waarheid bevat, en welk pure verzinsels.

De film bevat nog een verrassing. Halverwege duikt in een figurantenrol ineens één van mijn absolute favorieten, Loudon Wainwright III, op. Ik had het kunnen weten, als ik het hoesje van zijn laatste plaat “Here Come The Choppers!” uit 2005 beter had gelezen. Daarin vertelt Loudon namelijk hoe hij in het voorjaar van 2003 ‘Hank & Fred’ schreef (waarover u had kunnen lezen in ‘Hank Williams’ Ghost’) in Montgomery, Alabama, tijdens de opnamen van die film. Zijn bijdrage bestond, volgens Loudon zelf, voornamelijk uit wachten.

Loudon Wainwright is de “grootste vis” die ik als popjournalist ooit ving. Misschien niet de bekendste, maar wel een van de beste, en zeker de beste tekstschrijver. “Loudon schrijft teksten voor volwassenen”, zei Shawn Colvin eens in een tv-documentaire. Een rake observatie, vooral als je je realiseert dat dat een uitzondering vormt in de popmuziek, waarin het overgrote merendeel van de songteksten de intellectuele en emotionele diepgang van de leefwereld van verliefde pubers niet overstijgt.

Natuurlijk wordt er ook wel eens een serieus onderwerp aangesneden. En ging Dylan niet al in de jaren zestig voorop in de strijd van bezielde maatschappijkritiek? Misschien wel, maar de man nam later zelf afstand van zijn voortrekkersrol als wereldverbeteraar. En op de keeper beschouwd is van die zo vaak bejubelde invloed van de Dylan’s en andere modieuze criticasters op hun luisteraars niks terecht gekomen. Zijn die vroegere fans en volgelingen niet inmiddels allemaal gearriveerde vijftigers, dikbuikige babyboomers, in bijna alle opzichten de evenknieën van hun vaders, die zij indertijd zo verachten?

Nee, dan Loudon. Ook hij werd in de jaren zestig gelanceerd als een “nieuwe Dylan”, maar zijn teksten klonken al direct heel anders. Hij bezong zijn mislukte huwelijk met Kate McGarrigle en andere pijnlijke liefdesescapades. Hij bezong zijn liefde voor zijn kinderen, Martha en Rufus, en zijn mislukte pogingen er als opvoeder iets van te bakken. ‘Be Careful There’s A Baby In The House’, ‘Rufus Is A Tit Man’, en ‘Five Years Old’. Zo’n 20 jaar en even vele platen lang duiken hun lotgevallen op in zijn werk. Op Want One gaf Rufus zijn vader een koekje van eigen deeg terug in het genadeloze ‘Dinner At Eight’.

Loudon observeert en noteert met een scherpte die je – Randy Newman uitgezonderd – bij geen enkele andere popzanger aantreft. En hij schrijft prachtige liedjes. Zoals ‘No Sure Way’ op “Here Come The Choppers!”, verreweg het beste 9.11-liedje van de talloze die ik inmiddels hoorde, inclusief Springsteen’s complete “The Rising”. Juist omdat hij geen Grote Woorden gebruikt, maar niets anders doet dan het beschrijven van een ondergrondse metrorit in New York tot het moment dat de trein het fatale station passeert. Met alleen die drie letters ‘WTC’. En dit lied bevat de onsterfelijke strofe:
“Heaven is high above us
Hell is not so far below”.

Als het interview na 20 minuten is afgelopen – méér mocht beslist niet van de dame die zich voordeed als zijn ‘manager’ – zegt Loudon Wainwright III tot mijn verbijstering: “Zullen we een hapje gaan eten?”. Is dit de man die er in ‘One Man Guy’ prat op gaat elke avond alleen te dineren? Van schrik komt er van de voorbereide vragen niets meer terecht, en praten we als twee gewone mannen over werk en liefde, over scheiding en kinderen, kortom al die dingen die echt belangrijk zijn in het leven, en waar Loudon’s complete oeuvre over gaat.

Photo by Dimitrios Kambouris “Iedereen vraagt me wat ik vind van het succes van mijn kinderen. Als vader ben ik natuurlijk apetrots. Vooral mijn zoon Rufus barst van het talent, maar ook Martha schrijft goede songs. Ik vind het leuk dat ik meedoe op hun platen. De muziek zal wel in hun genen zitten, maar ik zie ze totaal niet als concurrenten. Randy Newman, die luilak, en Tom Waits, die bastaard, dát zijn mijn concurrenten. Met Here Come The Choppers heb ik die laten zien hoe je een goede plaat maakt.”

Die kinderliefde is aandoenlijk, maar zoon en dochter kunnen nog lang niet tippen aan vader. Hun liedjes missen de eenvoud, de humor en de diepgang. Zoals in het ontwapenende ‘When You Leave’, waarin Loudon ruiterlijk erkent dat scheiden voor kinderen vaak funest uitpakt. Maar de kinderen groeien op, en komen op bezoek. Misschien valt het toch wel mee allemaal? Nee, want dan blijkt dat zij slechts hun eigen weg zoeken en dat contact nauwelijks mogelijk is. “Mijn kinderen zijn me dierbaar”, vertelt Loudon, “Al zijn ze eerlijk gezegd soms ook een ‘pain in the ass’. Ik houd van ze, maar zij moeten niet vergeten wie er met hun moeder heeft geslapen!”.

Nog geen honderd man bezoekt die avond de Rotterdamse Nighttown, en zij krijgen eerst een optreden van Lebbis (Hans Sibbel) te verstouwen. Lebbis imponeert niet, maar toont zich wel een Loudon-fan; ooit deed hij een cover van ‘Hard Day On The Planet’ op tv. “Hoeveel fans heb ik in Nederland?”, vraagt Loudon bij opkomst. “Ik heb geen idee, maar ze zijn vast allemaal oud en grijs”, concludeert hij na een snelle blik in de zaal.

Loudon begint met ‘One Man Guy’, dat Rufus coverde op Poses. Dan ‘Five Years Old’, het hilarische verjaardagskado voor zijn dochter Martha (“The pet store was all out of pony’s”), en daarna ‘A Year’ over zijn jongste dochter die hij in haar eerste levensjaar nooit zag. Vervolgens ‘The Picture’, over zijn zus Teddy, direct gevolgd door het nieuwe ‘Half Fist’ over zijn grootvader, Loudon I.

Wat nieuwe songs, waaronder het nog niet op de plaat gezette ‘Grey In LA’, en dan ‘White Winos’, zijn ode aan moeder Martha, die enkele jaren geleden overleed – Loudon wijdde zijn hele plaat Last Man On Earth aan haar dood. Ineens valt me op dat Loudon bij ons diner ook witte wijn bestelde. Daarna volgt ‘Sometimes I Forget’, opgedragen aan zijn overleden vader Loudon II. En dan ‘Your Mother And I’, waarin hij aan zijn tweede dochter Lucy op pijnlijk openhartige wijze uitlegt waarom hij en haar moeder (Suzy Roche, van het damestrio The Roches) uit elkaar gaan. photo by John Hooper

“In de kleedkamer staan de muren vol gekliederd met namen van artiesten die hier ooit hebben gespeeld”, vertelt Loudon. “Eén ervan is Johnny Cash. Wisten jullie dat hij mijn song ‘The Man Who Couldn’t Cry’ heeft gecoverd? Heeft iemand hem hier zien spelen?” “Ja, ik”, roept de man naast me, “En hij zong toen ‘The Man Who Couldn’t Cry’”. “Wow”, antwoordt Loudon, voordat hij het lied zelf inzet.

Als laatste komt ‘A Father & A Son’. “We hadden er nog één te gaan”, zegt Loudon. Dit is het lied voor zijn oudste kind, en enige zoon Rufus. En dan pas valt het kwartje. Alle belangrijke familieleden, alle vier kinderen zijn één voor één in de show voorbijgekomen.

Na ons diner maakte Loudon nog een kleine wandeling, alleen door het centrum van Rotterdam, en toen pas stelde hij zijn show voor die avond samen. Mij bekruipt plotseling het ongelofelijke gevoel dat dit optreden één lange illustratie was van wat hij tijdens het diner al tegen me zei: “Je kinderen en familie – die zijn pas echt belangrijk”.

Ik prijs me gelukkig dat ik een avond doorbracht met één van de grootste liedjesschrijvers van onze tijd. Maar ik kan niet begrijpen dat hij zijn tijd moet verdoen en wat moet bijbeunen met onbeduidende figurantenrolletjes in B-films. Erkenning en gerechtigheid wachten ook Loudon Wainwright III pas in de Hemel. Voorlopig ploetert hij verder in die Hel hier beneden.

(Johan Doove)


Inspiratie:

No Sure Way – Loudon Wainwright III (“Here Come The Choppers!”, 2005)


Single Song #6 - 15 december 2006: A Little Drop Of Poison

“I like my town
With a little drop of poison”



Hoewel ik een stadsmens ben, woon ik in dorp. Ik vind het heerlijk om in Voorschoten te wonen. Voor al mijn boodschappen kan ik om de hoek terecht. Ik kom onderweg bekenden tegen die mij vriendelijk groeten. En ik weet precies welke middenstanders mij goed gaan behandelen en welke niet. Voor al mijn bescheiden noden kan ik in mijn eigen dorp terecht, behalve één: mijn uit de hand gelopen muziekverslaving. De plaatselijke Music Store heeft een abominabel slechte collectie, al kun je er voor Jan Smit en Frans Bauer prima terecht. Toch kan ik de verleiding niet weerstaan er af en toe binnen te lopen, wat steevast uitloopt op een deceptie. Zo wist ik laatst dat de nieuwe Tom Waits net uit moest zijn, en waagde ik een nieuwe poging.

Met Tom Waits heb ik een haat/liefde-verhouding. Ik houd van ’m vanaf zijn eerste LP, Closing Time uit 1973, en ik houd nog steeds van klassiekers als ‘Martha’, ‘Ol’ 55’, ‘Tom Traubert’s Blues’ en ‘Jersey Girl’. Ik was erbij toen Waits in mei 1976 zijn eerste concert in ons land gaf, in het Amsterdamse Café Américain op het Leidseplein. Toen ik in 1985 een van mijn Grote Vlammen ontmoette, schreef ik haar een klein briefje met de tekst van een liedje van Tom: ‘I Hope That I Don’t Fall In Love With You’.

Waits maakte in de jaren zeventig zeven prachtplaten, en veranderde toen zijn stijl. Dat deed hij vermoedelijk vooral door gebrek aan commercieel succes. Daarna kwam hij op de proppen met Swordfishtrombones (1983), Rain Dogs (1985) en Frank’s Wild Years (1987). Een briljante trilogie in een unieke “potten-en-pannen”-stijl, die hij daarna nooit meer zou veranderen. Wel bleef hij – bij vlagen – schitterende liedjes afscheiden.

Wat ik niet leuk vind aan Tom, is dat hij zich later volledig distantieerde van zijn oude werk, en dat nooit meer speelt. Volkomen ten onrechte, want dat oude werk doet kwalitatief niet onder voor zijn recentere producties, en het bevat alle kiemen van de latere vruchten. Het is alsof je jezelf verloochent door zo openlijk afstand te doen van je eigen geesteskinderen.

Verder vind ik Tom een aansteller en een oplichter. Zo heeft hij eens verklapt dat hij in het begin van zijn carrière erg zijn best heeft gedaan om zijn stem geforceerd zwaar te laten klinken, wat ook is gelukt. Die beroemde, zware stem, die hij op Orphans zijn “belangrijkste instrument” noemt, is dus geen natuurlijke gift – zoals te horen op de Early Years-platen – maar een zorgvuldig ingestudeerd en gekoesterd trucje, onderdeel van een gelikte gimmick.

Dat geldt ook voor Tom’s teksten. Die koketteren al sinds het begin met de zelfkant van de samenleving. Met dronkaards, hoeren, misdadigers, krankzinnigen, drugsverslaafden en andere randfiguren. Dat lijkt heel interessant allemaal, maar ik vind dat gedweep met die zelfkant in de loop der jaren steeds minder geloofwaardig. Volgens mij ontmoet Waits nooit zo’n minder bedeelde medemens.

Tom Waits is een Californische miljonair met een voor onbevoegden ontoegankelijke, riante eigen woning. Hij is braaf getrouwd en heeft drie bloedjes van kinderen, die alle drie op zijn jongste platen mochten meedoen. Alle liedjes op die laatste platen zijn volgens het hoesje door hem en zijn vrouw Kathleen Brennan samen geschreven. Dat vind ik vreemd, want ze hebben allemaal dezelfde stijl die Tom ook al had toen hij zijn vrouw nog niet kende. Daarom geloof ik helemaal niet dat Kathleen teksten en muziek schrijft; zij beheert Tom’s financiële zaken, dat wel! Eerlijk gezegd denk ik dat Tom een beetje onder de plak zit.

Het knapste aan Waits is zijn slim opgebouwde en behoedzaam gekoesterde imago als lieveling van alle critici en held van het anti-establishment. Vooral omdat dit diametraal staat op de werkelijkheid. Zijn concert ten tijde van Rain Dogs in Carré heb ik nog gezien – het was prachtig – maar daarna niet meer. Want kaartjes voor Waits-concerten zijn voor gewone mensen (= niet-critici) bijna niet te krijgen, en evenmin te betalen.

Nu ik zelf ben toegetreden tot het dubieuze slag der critici, kan ik u verklappen dat geen enkele plaat dit jaar zo opzichtig is gepromoot als de nieuwe CD van Tom Waits. Daar zit een doordachte en duurbetaalde marketingcampagne achter, die halve waarheden vertelde. Zo werden wij gemaand om Orphans snel te kopen, want hij was slechts “in beperkte oplage” (“Limited edition”) gedrukt, en zou dus snel uitverkocht zijn. Klopt niets van! Ook zou er een “schitterend 94-pagina’s tellend boekwerk” bij zitten. Dat blijken alleen uitgeschreven teksten te zijn en wat foto’s van slechte kwaliteit. Begrijp me goed: ik heb niks tegen marketing, maar dit alles kan ik niet rijmen met Tom’s reputatie als vertrouweling van de misdeelden.

Ik was, door dit commerciële geweld, zelfs een beetje bevooroordeeld tegen Orphans. Drie CD’s met 56 liedjes leek mij een overdaad, en ik voorspelde dat Waits van zijn voetstuk zou donderen. Dat is niet gebeurd. Ik zat ook fout, want ik moet Tom Waits maar op één ding beoordelen: zijn muzikale prestaties. En die zijn weer prima. Niet nieuw, maar vooral Bawlers en ook Brawlers bevatten zoveel juweeltjes, dat ik toch weer van hem ben gaan houden.

Maar het is me niet gelukt Orphans bij onze plaatselijke Music Store aan te schaffen. Ik heb het wel geprobeerd. Dat ging als volgt:
“Goedemiddag. Heeft u de nieuwe Tom Waits?”
“Wie zegt u?”
“Tom Waits”.
“Hoe schrijf je dat?”


(Johan Doove)


Inspiratie:

A Little Drop Of Poison – Tom Waits (‘The End Of Violence’, 1997)
A Little Drop Of Poison – Tom Waits (‘Orphans’, 2006)
Single Song #5 - 01 november 2006: Hank Williams’ Ghost

“We hurt the ones we love the most
And blame it on Hank Williams’ ghost”





Ik ben niet gelovig, en evenmin bijgelovig. Ik geloof niet in Hemel of Hel (behalve op aarde), in God of Duivel. Daarom ben ik ook niet geneigd in geesten te geloven, maar ik zie ze wel.

Bij Robert Johnson bijvoorbeeld, de legendarische Delta-bluesman uit de jaren dertig. Hij liet maar een klein oeuvre van zo’n 30 songs na, maar die songs beheersen nog steeds de blues. Eric Clapton speelt ze al zijn hele leven, en wijdde er in 2004 nog een hele CD aan (Me And Mr. Johnson). Rory Block deed onlangs hetzelfde (The Lady And Mr. Johnson). Volgens de mythe verkocht Johnson voor zijn muziek zijn ziel aan de Duivel. Songs als ‘Crossroads Blues’ en ‘Hellhound On My Trail’ verwijzen naar zo’n sinister pact. Johnson speelt ze als een bezetene, en er waart nog steeds een duistere geest door die liedjes, zelfs in andermans uitvoering. Met Johnson liep het slecht af: hij werd in 1938 vermoord door een jaloerse echtgenoot, nadat hij in een dronken bui met zijn vrouw had geflirt.

Weinig beter verging het een andere muzieklegende, de aartsvader van de “honky tonk” country, Hank Williams. Hank, die eigenlijk Hiram heette, was een arme sloeber uit Montgomery (Alabama), die in de jaren veertig na veel geploeter naar Nashville trok, en daar succes vond met zijn optredens in de Grand Ole Opry. Hij schreef zo’n 125 liedjes, die nog steeds de country beheersen. Zo bevatten recente platen van Van Morrison en The Little Willies covers van zijn liedjes; in 2001 vertolkte een keur aan topartiesten hun versie van Hank’s songs op het fraaie Timeless. Ook met Williams loopt het slecht af. Drank en drugs slopen zijn lijf, waardoor hij er steeds meer als een geest gaat uitzien. Hij wordt uit de Opry gegooid. Zijn huwelijk loopt op de klippen, en hij trouwt een meisje van 19 jaar. Zij laat hem nog wel optreden, maar alleen in derderangse tenten. Zijn dood is al even legendarisch: Williams sterft op Nieuwjaarsdag 1953 op de achterbank van een Cadillac, op weg naar een optreden, aan een fatale combinatie van whiskey en peppillen. Kennelijk voorzag hij zijn einde, want vlak ervoor schreef hij het ironische ‘I’ll Never Get Out Of This World Alive’. De geest van Hank Williams waart nog steeds door zijn liedjes. Een geest van ongeluk en verderf, bijvoorbeeld in Loudon Wainwright III’s verhaal over zijn bezoek aan Hank’s graf in Montgomery. Precies op die dag overlijdt de in de VS bekende tv-presentator Fred Rogers, en Loudon omschrijft een atmosfeer van dood, drank en muziek.

Hank’s geest duikt ook op in twee liedjes van Fred Eaglesmith. In ‘Alcohol And Pills’ (Lipstick, Lies & Gasoline, 1997), dat vijf popberoemdheden opsomt, die alle in het verderf storten door de verleidingen van drank en drugs. En in ‘Mrs. Hank Williams’, dat verhaalt van de pijn en jaloezie die Hank’s vrouw voelt op de achterbank van diezelfde Cadillac, als haar man op het podium wordt toegejuicht door talloze vrouwelijke fans, die allemaal klaarstaan om haar plaats in te nemen.

David Allen Coe laat Hank’s geest zijn ‘Your Cheatin’ Heart’ zingen, waarin Williams openhartig vertelt over de slechte afloop van zijn scheiding. Die geest is nu zó gemeengoed geworden, dat hij de schuld krijgt van onze ergste missers, zoals Darrell Scott bezingt op de openingstrack van zijn laatste plaat.

Ik ben, zoals gezegd, niet bijgelovig, maar toch voel ik de geesten van Robert Johnson en Hank Williams rondspoken in elk van hun liedjes. En er is nog iets geks. Sinds mijn vaders dood, een jaar geleden, heb ik steeds vaker het gevoel dat hij me, net als vroeger, in de gaten houdt, en waar nodig op de vingers tikt (“Zet die muziek zachter”. “Houd op met dat gepingel op die gitaar, en ga aan je werk”). Maar dat kan niet, want ik geloof niet in geesten. (Johan Doove)


Inspiratie:

Hank Williams’ Ghost – Darrell Scott (‘The Invisible Man’, 2006)
Mrs Hank Williams – Fred Eaglesmith (‘Milly’s Café’, 2006)
Hank and Fred – Loudon Wainwright III (‘Here Come The Choppers’, 2005)
The Ghost of Hank Williams – David Allen Coe (‘Live, If That Ain’t Country’)
Single Song #4 - 15 augustus 2006: Music

“Music is playing inside my head
Over and over and over again, my friend,
There’s no end to the music”



Muziek hoort tot de mooiste en belangrijkste dingen in mijn leven. Dat vermoedde u al, anders schreef ik niet geheel belangeloos deze column. En ik vermoed dat voor u, lezer van dit stukje, hetzelfde geldt, anders las u dit niet, al even belangeloos. Dus schrijf ik over de muziek van mijn hart, want wat heeft het voor zin te schrijven over muziek waar ik niets om geef? Eens per maand recenseer ik voor een landelijke krant zes nieuwe plaatjes, en daarvoor kies ik alleen muziek die ik de moeite waard vind. Het is al erg genoeg dat zo’n stukje maar 120 woorden mag beslaan (vijf, zes regeltjes), en waarom zou ik daarin slechte CD’s gaan afkraken? Evenzo spreek ik alleen met artiesten die ik interessant vind en bewonder, een luxe-positie die ik mij kan veroorloven omdat ik geen beroepsmatige popjournalist ben en niet in de rij wil staan met mijn minder gelukkige collega’s.

Maar dit betekent niet dat ik alle muziek goed vind. Of dat ik mij niet kan ergeren aan slechte muziek. In tegendeel, zo leerde deze vakantie mij. Ik vertoefde in Italië, Calabrië om precies te zijn. Met het appartement was niet veel mis, met het landschap en het eten evenmin. Mijn kinderen genoten van het zwembad, en mijn vrouw van de zon. Maar waarom schalde er de hele dag muziek uit de boxen naast het zwembad? De kinderdisco van een halfuur is nog te billijken. Maar die leuke, “populaire” hits die je in zulke omstandigheden de hele dag moet horen, vormen voor mij een ware kwelling. Zo kan ik u verklappen dat ik een enorme hekel heb aan het nummer ‘Y.M.C.A.’, die hersenloze homo-discohit, die ik drie weken lang elke dag heb moeten horen. Ik vind ‘Eye Of The Tiger’ een vervelend en stompzinnig nummer, en heb een zo mogelijk nòg grotere afkeer van ‘The Finale Countdown’, dat ridicule Veronica-deuntje.

Ik haat house en dance, en vind rap en hip hop doorgaans oninteressant (en hun teksten puberaal en imbeciel). Wat mij betreft mag na deze drie weken de hele Italo-pop in één klap door de plee worden gespoeld. Ik heb niets gehoord dat de moeite van herbeluistering waard is. Maar het allerergste komt nog. Pal naast ons appartement stonden de torenhoge boxen van een naburig vakantiepark met een bijzondere attractie, de meest afschrikwekkende uitvinding van de 20e eeuw: karaoke. Minstens drie avonden per week, beginnend om 22.00 uur en eindigend ver na middernacht, had ik het genoegen het luide, valse gekweel van dronken Italianen te mogen aanhoren, die allemaal uit volle borst mee blèrden met hun variant van André Hazes of Frans Bauer, waar ik een ernstige allergie voor heb. Het was, in één woord, afschuwelijk.

Ik heb overwogen mijn activiteiten als popjournalist en columnist met onmiddellijke ingang te staken. Ik wilde mijn hele platencollectie vervangen door “the sound of silence”. Ik nam mij voor nooit meer een radio of CD-speler aan te zetten, en permanente oordopjes aan te schaffen bij een audicien. Tot ik opeens een stem hoorde die ik direct herkende. Het was een liedje dat nooit een hit is geweest, maar dat diep in mijn geheugen staat gegrift. Een liedje, dat je zelden op de radio, en nooit in een disco of bij een zwembad hoort. Van een zangeres die ooit heel groot was, maar nu al bijna is vergeten. Een liedje, dat precies omschrijft waar het bij deze liefde om gaat, en dat zijn titel helemaal waarmaakt. Dankzij dit kleine wonder wist ik opeens weer waarom muziek hoort tot de mooiste en belangrijkste dingen in mijn leven. Zolang het maar geen Italo-pop is. (Johan Doove)

Inspiratie:

Music – Carole King (‘Music’, 1971)
Music – Carole King (‘The Ode Collection’, 1994)
Single Song #3 - 29 juni 2006: Red-Blooded American Boy

“While your laugh is still easy
And your heart is still light
Why don’t you dance with
This red-blooded American boy tonight?
‘Cause your life is just a breath
And tonight is just the dance
So why don’t you give
This red-blooded American boy the chance?”



In 1994 maakte ik met mijn vrouw onze eerste buitenlandse reis. Het was een trip door het “wilde westen” van de Verenigde Staten, en dus reden wij vele lange miles over eindeloze highways. Die waren alleen door te komen dankzij de schitterende, ongerepte natuur, en vele cassettebandjes met muziek. Allemaal mijn muziek, behalve Frank Boeijen.

De meeste van die bandjes vond mijn vrouw niet te pruimen – al zei ze dat toen niet - maar één jonge zanger sprak haar wel aan: Kevin Montgomery met zijn debuut Fear Nothing. Zij vond Kevin een “lekker ding” en, geloof me, ik weet wat dat betekent! Haar favoriete track, en ook de mijne, was de opener ‘Red-Blooded American Boy’, mede dankzij het prachtige pedal steel gitaarspel van Al Perkins.

Een paar jaar later verraste ik mijn vrouw door haar mee te nemen naar een concert van Kevin in de Happy Days te Den Haag, eenmaal begeleid door Doug Pettibone, en later nog eens door Al Perkins op steel en dobro. Deze begeleiders waren wat mij betreft minstens zo interessant als Kevin, maar zijn muziek mag er zeker wezen, en zijn tweede plaat Another Long Story vind ik zelfs een topper. Mijn vrouw vond Kevin ook nog steeds top, maar een iets minder “lekker ding”, omdat hij de fout had begaan een baardje te laten staan.

Onlangs hadden wij een feestje te vieren, en we wilden eens wat anders. Dus besloten we een heuse zanger uit Nashville in te huren, die inmiddels in Windsor bij Londen bleek te wonen; u raadt het al: Kevin. Het leek ons ook leuk om zo’n weliswaar niet wereldberoemde, maar toch in beperkte kring vermaarde artiest persoonlijk te leren kennen. Daarom kwam hij exclusief voor ons feestje over, en verbleef voor die gelegenheid bij ons thuis.

Ik haalde Kevin op van Schiphol, waar al direct iets misging, want hij stond niet op de afgesproken plek. Na een uur misverstanden vond ik hem toch en bracht hem naar Leiden. Hij hield onderweg zijn zonnebril op, wat ik vreemd vond, want de zon scheen niet. Ik startte de conversatie met een muzikaal onderwerp, waarop Kevin antwoordde dat hij niet erg hield van debatten, vooral niet over politiek. Prima, want daar houd ik ook niet van, en ik ben evenmin geïnteresseerd in de politieke opvattingen van een artiest. Het gaat mij om de muziek.

Het concert verliep naar wens, en Kevin zingt nog steeds goed. Hij teert naar mijn smaak wel wat teveel op zijn oude songs, maar vooruit, die wilde mijn vrouw juist graag horen. Hij had veel oog voor de aantrekkelijke jonge serveersters in de Leidse uitspatting waar ons feestje plaatsvond, en hij had, zoals het een artiest betaamt, grote dorst. Na een langdurig afscheid van de serveersters reed Kevin mee naar ons huis. Zijn dorst was nog niet gelest, dus leek het mij tijd voor een gezellige babbel over de sappige details van het muzikantenbestaan . Maar Kevin toonde vooral belangstelling voor zijn eigen laptop met, naast wat fragmenten van www.myspace.com, vooral video’s van zijn tweejarige zoon.

Opeens stelde hij een vraag: hoe dacht ik dat Nederland er over 30 jaar zou uitzien, met al die moslims en zo? Oeps, daar had ik niet op gerekend, en dus hield ik de boot af. Daarop startte hij een lange monoloog over de gevaren van het internationale terrorisme. Hij verklapte en passant dat hij al tweemaal op Bush had gestemd, maar hij vond zijn aanpak nu veel te slap. Dat alle Amerikanen thuis worden afgeluisterd, was onvermijdelijk in de strijd tegen de moslims, en dat veel Amerikanen zich geen ziektekostenverzekering kunnen veroorloven was hun eigen schuld, want ze hadden wel geld voor sigaretten en vet voedsel.

Dit had ik niet verwacht van iemand die niet houdt van politieke debatten. Ik was het op bijna alle punten met Kevin oneens, maar ging hierover wijselijk niet met hem in discussie. Ik besloot dat zijn dorst nu gelest was, en stuurde hem naar bed. De volgende ochtend was hij laat op. Hij vertelde trots dat hij die nacht met kleren, licht en tv aan in slaap was gevallen, zoals zijn gewoonte is na een geslaagd optreden. Sappig detail uit het muzikantenbestaan!

Na nog een tweede, minder succesvol optreden reed ik Kevin die middag terug naar Schiphol. In de auto deed ik nog een laatste poging een boeiend muzikaal onderwerp aan te snijden, maar ik kreeg daarop geen antwoord. Ik keek opzij, en zag dat Kevin in slaap was gevallen. Zo’n grote artiest is soms net een normaal mens. (Johan Doove)

Inspiratie:

Red-Blooded American Boy – Kevin Montgomery
(Fear Nothing, 1993)
Red-Blooded American Boy – Kevin Montgomery (Live At The Bluebird Cafe, 2001)
Red-Blooded American Boy – Kevin Montgomery (2:30 AM, 2003)
Single Song #2 - 02 mei 2006: Ghost Repeater

“Dark was the night
Cold was the ground
I could barely make out the song
Of the Ghost Repeaters
Singing Hallelujah
His truth is marching on”



Ik ben niet erg slim, maar ook weer niet heel dom. Met op zak een academische graad (nooit iets mee gedaan), een waslijst geslaagde managementopleidingen (maar daar hoef je niet erg slim voor te zijn), en op middelbare leeftijd (dus met al in grote getalen afstervende grijze cellen) nog twee duffe marketingdiploma’s, valt het misschien wel mee met die domheid. Daarom heb ik er altijd grondig de pest in, als ik van een songtekst niets begrijp.

Neem nou mijn favoriete plaat van dit moment Ghost Repeater van Jeffrey Foucault. Het allermooiste liedje is de titelsong, waarmee de plaat opent, maar er valt geen touw aan vast te knopen. “Alle dronkelappen, vermomd als Kerstman, luiden de klok van het Leger des Heils. Maar het stadsplein is rustig, de dranktenten zijn leeg, en iedereen koopt wat niemand kan verkopen”??

“Een oude vlam kwam gisteravond bij me, in een droom om een geheim te vertellen. Ze fluisterde dichtbij: ‘Hoor je de oceaan niet?’, terwijl ze haar oor overhelde tegen de huls van een jachtgeweer”. Wat moet ik hiermee? Welke ‘diepere’ boodschap ontgaat me? Ik word er altijd flink pissig van: òf ik ben te dom om hier chocola van te maken, òf ik word in de maling genomen met een poëtische pseudo-diepzinnigheid, die later een luchtbel blijkt.

Toegegeven, het kan dus zijn dat ik te dom ben om deze teksten te begrijpen. Tijdens de poëzieles zat ik me te vervelen, en tekstverklaring vond ik toen al vergezochte flauwekul. Maar die kans is niet zo groot. Waarschijnlijker is dat de auteur dronken was, of stoned, of dat hij een aap pijltjes liet gooien naar een rijmwoordenboek.

Ik geef het eerlijk toe: bij veel songteksten, vooral die van Dylan, heb ik dat gevoel. Die pas verschenen, veel te dikke vertaling van zijn Liedteksten 1962 – 1973 door Bindervoet & Henkes heeft dat gevoel alleen maar verergerd. Ik houd van de teksten van Randy Newman en Loudon Wainwright III, want die zijn geestig, vlijmscherp en begrijpelijk. Wat ik na twee keer lezen nog niet snap, gaat er bij mij niet in.

Dus heb ik het Jeffrey Foucault zelf gevraagd. Als ware poëet gaf hij slechts mistige (of mystieke?) antwoorden. Maar een paar dingen heb ik wel opgehelderd. Ghost Repeaters zijn verlaten radiostations, die dankzij een computer nog steeds (dezelfde) muziek uitzenden. Het is een metafoor voor de vervlakking, de McDonaldisering, van de Verenigde Staten.

De in het lied genoemde Willie Mae (“crying at the toll booth to heaven”) is een verwijzing naar Big Mama Thornton, een oude blueslegende, bekend van ‘I Smell A Rat’ uit 1953. Zowel “dark was the night, cold was the ground” als “Singing Hallelujah, His truth is marching on” zijn quotes van bekende strijdliederen uit de Amerikaanse Burgeroorlog.

Juist. Ik heb daar niets aan toe te voegen. Ik was er zelf niet op gekomen. Aardige jongen, die Jeffrey Foucault. Een wereldplaat, die Ghost Repeater. Maar de titelsong bevat maar één strofe die mij echt aanspreekt: “I could barely make out the song”. (Johan Doove)

Inspiratie:

Ghost Repeater – Jeffrey Foucault
(‘Ghost Repeater’, 2006)
Single Song #1 - 07 april 2006: Man van God

“I’m a man of God
Though I never learned to pray”
“I’m a man of faith
Faith is something you can’t see”



Ik geloof dat religie de oorzaak is van de meeste problemen in de wereld. Katholieken tegen protestanten in Ierland; hindoes tegen moslims in India; orthodoxe joden tegen islamieten in Palestina; soennieten tegen sjiïeten in Irak; christenen tegen moslims in Indonesië, enz. Niet alleen nu, maar door de hele historie heen. Kruistochten, inquisities, de indianengenocide in Noord- en Zuid-Amerika, de opmars van de islam in Noord-Afrika: allemaal kenmerken ze zich door geweld, verkrachting en andere narigheid in naam van een Hogere Macht.

Ik geloof niet dat het aan God ligt. Het ligt aan zijn volgelingen op aarde. De vreselijkste misdaden worden steevast begaan in zijn naam, stilzwijgend of openlijk gesteund door de hogepriesters van zijn kerk, en gerechtvaardigd met een beroep op zijn leerstellingen. Het zijn de cowboys met laarzen van slangenhuid en kogelvrije vesten, inhalige olieboeren en mensenhatende militairen die de oorlog verklaren, en daarvoor zijn naam misbruiken. Het zijn wolven in vredelievende schaapskleren.

Het probleem ligt ook in Godvrezende burgers met hun kleine angsten en hun talloze vooroordelen; in opportunistische politici; in op geld beluste tv-dominees; in religieuze sekten die onzekere kinderen misbruiken; in verblinde, nooit twijfelende godsdienstfanaten die altijd de voet van hun overtuiging tussen jouw deur steken; in fundamentalisten van alle gezindten; in de hypocrisie die ’t vaakst opduikt bij de trouwste kerkgangers.

Mijn afkeer van alle religie stamt ook van mijn degelijke Katholieke opvoeding en de vijf jaar die ik tegen mijn zin op een Seminarie moest doorbrengen. Van het achterbuurmeisje dat al op de eerste afspraak verklaarde: “Het kan niets worden tussen ons, want mijn vader geeft les op een Christelijke school en de jouwe op een Katholieke mavo”. Van de ruzie die ik kreeg met de pastoor over mijn te bescheiden rol als gitarist in het Kerkkoor.

Hoe is het dan mogelijk dat op de eerste plaat van Neil Diamond in 40 jaar die ik echt goed vind, de allermooiste track juist ‘Man Of God’ heet? In dit credo worden alle cliché’s over God, geloof en vrede beleden. Neil meent zelfs in de vertolkingen van zijn eigen liedjes God’s stem te horen. Het is een tekst die al mijn tenen krom doet staan. En toch is de muziek wonderbaarlijk mooi. Er klinkt een Hemels orgel, bespeeld door God’s eigen gezant op aarde Billy Preston. En Neil zingt het volstrekt geloofwaardig. Ik heb daar maar één verklaring voor: dit is het werk van een Hogere Macht. (Johan Doove)

Inspiratie:

Man Of God – Eliza Gilkyson
(‘Paradise Hotel’, 2005)
Man Of God – Neil Diamond (‘12 Songs’, 2005)